You are currently browsing the tag archive for the 'fiets' tag.
… met de camera op stap, samen met een club fotografie-enthousiastelingen van The New Hanoian (http://newhanoian.xemzi.com/en). Hier een kleine selectie. Meer op http://picasaweb.google.com/aquanica68/.

souvenirs van het waterpoppentheater

boot naar een huisje op een eiland midden in de drukke stad

studiebezoek aan de Literatuurtempel

straatkeuken

Lenin nog steeds op zijn voetstuk

straatkapper

bulkvervoer
‘Five thousand’, zegt het joch van de parkeerplaats met een brutaal gezicht en steekt om zijn prijs kracht bij te zetten vijf vingers in de lucht. Ik lach ‘m uit. De normale prijs voor het parkeren van een fiets is hooguit tweeduizend dong. Dus steek ik twee vingers omhoog. Maar hij houdt vol. Ik draai me om en wil weglopen, hoe zat ik het ook ben om een parkeerplekje voor mijn fiets te zoeken. Maar ik ga er echt geen vijfduizend dong voor betalen.
Ik heb een missie vandaag. Er mist namelijk nog een typisch Aziatisch gebruiksartikel in mijn huishouden: de thermoskan. En hoewel de moderne Vietnamese thermoskan gemaakt is van kunststof, ga ik op zoek naar de ouderwetse metalen versie, die tegenwoordig in Nederland verkrijgbaar is als nostalgisch kitsch gadget, met meestal een uitbundig bloemenarrangement erop afgebeeld.
Op de fiets rij ik richting centrum. Mijn gevoel zegt me dat ik in of rondom de grote markthal in de oude wijk de meeste kans maak er een te vinden. In moderne winkels overheersen plastic en ander kunststoffen, voor gelijk welk artikel.
Voor ik aan mijn zoektocht begin wil ik eerst iets eten. Het is lunchtijd. Ik rij rechtstreeks naar een parkeerplek die ik al ken van vorig jaar, om de hoek van de markthal. De opzichter wuift me naar ‘iets verderop’, in mijn interpretatie iets verder op de parkeerplek. Ik zie nog een gaatje tussen de tientallen motoren op de stoep, manoeuvreer mijn fiets daarin en zet ‘m op slot. Dan probeer ik al zwaaiend contact te krijgen met de opzichter om hem te laten weten dat mijn fiets hier staat. Nu moet hij met een krijtje een nummer op mijn zadel schrijven en mij een papiertje met dat nummer overhandigen. Normaal gesproken dan. Hij ziet me niet en ik gooi onwennig mijn eerste ‘Em oi!’ eruit, de aanspreekvorm voor een iemand die jonger is dan jijzelf. Maar blijkbaar roep ik niet hard genoeg of spreek ik het toch niet goed uit, want er volgt geen reactie. Dus loop ik naar hem toe en wijs ik naar mijn fiets. Zo gauw hij begrijpt wat ik bedoel, schudt hij zijn hoofd. ‘No bicycle here, only motorbike!’ ‘But where …?!’ Hij haalt zijn schouders op en wuift weer vaag in dezelfde richting, verder van de markt. Hmm. Ik wil niet verder weg, dus wurm ik mijn fiets weer tussen de motoren uit en fiets ik juist dichter naar de markt. Ik probeer het bij de hal zelf. Op het bord staat dat er motoren én gewone fietsen geparkeerd kunnen worden. Mooi. Maar ook hier krijg ik nul op het rekest. De opzichter gebaart vaag naar ‘iets verderop’. Hmm, dat kon wel eens moeilijk worden. Iets verderop, bij de volgende parkeerplek, wordt weer gewuifd en zo gaat dat nog een aantal keren door. Ik probeer mijn gelijkmoedigheid te behouden en rijdt in steeds grotere cirkels rondjes om de markthal. Zonder resultaat.
Misschien is lunchtijd niet het meest gunstige moment om een parkeerplek te bemachtigen. Overal staat het stikvol motoren. Buiten de officiële plekken is ruimte op de stoep, maar alleen als je bij het belendende zaakje een boodschap doet. Bij de achtste opzichter die liever ruimte houdt voor de dubbele inkomsten genererende motoren, besluit ik om mijn geluk te beproeven aan de andere kant van het oude centrum, een kleine kilometer verderop. En ja, daar is dus ruimte zat en mijn fiets is welkom, zij het tegen een exorbitante vraagprijs. Maar net als ik af wil druipen en mijn missie eraan wil geven, valt mijn oog op het officiële bordje. Het zegt wit op blauw dat het parkeren van een fiets tweeduizend dong kost en dus laat ik het assistentje weten dat hij hoog in de boom kan blijven zitten met zijn ‘five thousand!’ Ik parkeer mijn fiets en betaal de echte opzichter tweeduizend dong. Zonder slag of stoot overhandigt hij mij in ruil een ticket.
Na een lunch van gefrituurde visballetjes met verse koriander, vissausdip, sla en dunne ronde noodles, ga ik op jacht naar mijn thermoskan. In de straatjes rond de markthal vind ik slechts drie van het gewenste type. Eén glanzende rode met het geijkte weelderige boeket, één met een woest kijkende Chinese heerser én één in een heel curieuze uitvoering: een beheerst Mondriaanmotief in de on-Mondriaanse tinten beige, rood en donkergroen, tussen Mondriaans geplaatste zwarte lijnen. Voor slechts 70.000 dong (€ 3,30) is deze van mij. Missie toch nog geslaagd.
Mijn voorlopig favoriete stekje is het trapje voor de deur, vooral ’s avonds in het donker. Nog even luisterend naar het zingen van de krekels, het gekwaak van de kikkers en het ge-oink van de gekko’s. Tenminste als het laat genoeg is, want dit eens stille laantje is nu een doorgangsroute geworden naar de oever van het West Lake. Daar is het afgelopen jaar een boulevard aangelegd die nogal populair is bij de Hanoise jonggeliefden. Zij hebben nergens privacy, behalve in het donker, aan de waterkant. Daar schijnt druk te worden gevoosd. Pas als de motorgeluiden verstommen, daalt de rust neer en is de stilte hoorbaar.
Een andere populaire plek voor romantisch samenzijn is Lovers Lane, bijnaam voor de weg die tussen het West Lake en Truc Bach Lake in loopt. Aan beide kanten water dus. Tien jaar geleden was ik hier voor het eerst. Het was inderdaad een romantische plek. Het verkeer in Hanoi bestond toen nog voor tachtig procent uit fietsers. Niet de jachtige fietsers die wij vaak zijn, maar meer van het type dat net genoeg vaart heeft om niet om te vallen.
Hoe anders is het nu! Lovers Lane is Traffic Lane geworden. In ieder geval in de avondspits. Wat was ik blij met mijn fietshelm toen ik juist daar terechtkwam in een opstopping van honderden motoren en enkele auto’s. Toch voel ik me heel thuis in Hanoi als ik op de fiets zit. Het is heerlijk om onderdeel van de stroom te zijn. In Nederland zijn de straten ‘leeg’, ook al zijn ze vol met auto’s. De mensen zitten verstopt in hun compartimentjes: hun huizen, kantoren en huisjes op wielen. Hier is alles vol leven, een zacht stromende energie.
Is fietsen in Hanoi al een heerlijke, hoewel uitdagende, manier om je deel van het geheel te voelen, het summum is toch wel bij iemand achterop de motobike door de stad te cruisen. Je zweet niet en kunt lekker om je heen kijken. Helaas geen wind meer door je haar, want sinds kort is het verplicht om een helm te dragen, wat maar beter is ook …
En als ik dan voor het slapen gaan buiten op dat trapje zit, luister ik naar de zingende krekels, de kwakende kikkers en de oinkende gekko’s. Het lawaai van de stad sterft weg en het lawaai van de natuur neemt het weer over. Een weldadige lawaai, na een dag getoeter en geronk.
‘Hoe lang moet je nu nog?’ vraagt mijn collega, bijna alsof het gaat om de tijd die ik nog zwanger door moet brengen tot mijn bevalling. Nu, mijn uitgerekende datum is 12 oktober. Ik moet dus nog twee maanden, oh nee, sorry, nog acht weken. Nog acht weken werken, regelen, opruimen, schiften, inpakken en overdragen. Maar ook nog acht weken genieten van mijn huisje, mijn familie, mijn vrienden, mijn collega’s, mijn vaste baan, mijn eigen bed, mijn boeken, mijn schoenenverzameling, mijn fiets, mijn AH, mijn bank en mijn bestek. Dat moeten is dus eigenlijk helemaal geen moeten. Het is mogen. Hoe meer het vertrek nadert, hoe meer doordringt wat ik allemaal achterlaat. Uit vrije wil. Uit verlangen. Met nieuwsgierigheid en gretigheid. Maar ook met pijn in het hart. Niet vanwege de dingen: dag huis, dag balkon, dag keukendeur. Dag fiets, dag AH, dag bestek.
Maar vanwege jullie.
Het blijft bijzonder en onwezenlijk. Te vliegen door de donkere nacht, vol sterren en slapend leven in de diepte beneden. De eerste zonnestralen van een nieuwe dag te zien vallen op een andere plek. Die plek die nog verstopt is, daar onder die deken, dat donzen geval. Die plek die zich alleen nog in flarden aan je openbaart. Ongenaakbaar, op afstand, nieuwsgierigmakend. Wat bergen hier, wat water daar. Nog meer water. En dan landen op een stil vliegveld, nog stiller in de mist, die vroege ochtendnevel, in de hele vroege ochtendzon, die koele warme gele ochtendstilte, die invalt als het geluid van de vliegtuigmotoren wegsterft. Je bent er en je bent er nog niet.
Dan ben ik er. Kijk ik uit een taxiraampje. En ben ik weer geschokt. Oh ja, in rotzooi kun je heel goed leven, een huis zonder dak waait lekker door, een voorgevel is ook niet echt nodig, wat maakt het uit als er plastic bestaat? En oh ja, wat is het warm, zwaar warm! En oh ja, oh nee, het stinkt niet naar vissaus, zoals in mijn herinnering. Het stinkt naar houtvuurtjes! Overal. Hmm, stinkt dat? Nee, ruikt eigenlijk erg lekker! Hmm!
En dan. Zit ik op de fiets. Met mandje. Zonder oordopjes. Midden in een symfonie voor toeters. Géén bellen. De fietser behoort tot een uitstervend ras in Hanoi. De straat is de bedding. De motoren zijn druppels. Samen zijn ze de rivier. Ik ben een blaadje van de boom achter mijn huis in Holland. De wind blies mij hier heen en ging liggen. Nu drijf ik mee in de stromende straten van Hanoi. Ik wens een lekke band om ‘m te kunnen laten plakken bij ‘zo’n’ mannetje. Vijf minuten later wordt mijn wens verhoord …




Wat jullie schreven