You are currently browsing the monthly archive for november 2008.
De foto’s in de vorige post zijn gemaakt in het dorp Tho Ha dat ongeveer 40 kilometer ten noordoosten van Hanoi ligt. Het ligt tussen twee rivieren en is alleen met een veerboot bereikbaar. Van oorsprong is het een pottenbakkersdorp, maar tegenwoordig worden er massaal rijstvellen gefabriceerd. Dit is economisch lucratiever en de grondstoffen zijn makkelijker te verkrijgen. De laatste pottenbakker in het dorp hoopt dat hij zijn ambacht kan overdragen aan een nieuwe generatie, zodat de traditie niet verloren gaat.
Meer foto’s van een dagtrip naar het dorp Tho Ha op http://picasaweb.google.com/aquanica68
(als link niet werkt via blogroll)
Onderweg naar de moderne supermarkt voor mijn zaterdagse boodschappen, passeer ik altijd de bijna 1000 jaar oude Quan Thanh Pagode. Vandaag wip ik even binnen. De pagode is gewijd aan Tran Vu, een hoge official onder het bewind van Koning Le Thai To.
‘Five thousand’, zegt het joch van de parkeerplaats met een brutaal gezicht en steekt om zijn prijs kracht bij te zetten vijf vingers in de lucht. Ik lach ‘m uit. De normale prijs voor het parkeren van een fiets is hooguit tweeduizend dong. Dus steek ik twee vingers omhoog. Maar hij houdt vol. Ik draai me om en wil weglopen, hoe zat ik het ook ben om een parkeerplekje voor mijn fiets te zoeken. Maar ik ga er echt geen vijfduizend dong voor betalen.
Ik heb een missie vandaag. Er mist namelijk nog een typisch Aziatisch gebruiksartikel in mijn huishouden: de thermoskan. En hoewel de moderne Vietnamese thermoskan gemaakt is van kunststof, ga ik op zoek naar de ouderwetse metalen versie, die tegenwoordig in Nederland verkrijgbaar is als nostalgisch kitsch gadget, met meestal een uitbundig bloemenarrangement erop afgebeeld.
Op de fiets rij ik richting centrum. Mijn gevoel zegt me dat ik in of rondom de grote markthal in de oude wijk de meeste kans maak er een te vinden. In moderne winkels overheersen plastic en ander kunststoffen, voor gelijk welk artikel.
Voor ik aan mijn zoektocht begin wil ik eerst iets eten. Het is lunchtijd. Ik rij rechtstreeks naar een parkeerplek die ik al ken van vorig jaar, om de hoek van de markthal. De opzichter wuift me naar ‘iets verderop’, in mijn interpretatie iets verder op de parkeerplek. Ik zie nog een gaatje tussen de tientallen motoren op de stoep, manoeuvreer mijn fiets daarin en zet ‘m op slot. Dan probeer ik al zwaaiend contact te krijgen met de opzichter om hem te laten weten dat mijn fiets hier staat. Nu moet hij met een krijtje een nummer op mijn zadel schrijven en mij een papiertje met dat nummer overhandigen. Normaal gesproken dan. Hij ziet me niet en ik gooi onwennig mijn eerste ‘Em oi!’ eruit, de aanspreekvorm voor een iemand die jonger is dan jijzelf. Maar blijkbaar roep ik niet hard genoeg of spreek ik het toch niet goed uit, want er volgt geen reactie. Dus loop ik naar hem toe en wijs ik naar mijn fiets. Zo gauw hij begrijpt wat ik bedoel, schudt hij zijn hoofd. ‘No bicycle here, only motorbike!’ ‘But where …?!’ Hij haalt zijn schouders op en wuift weer vaag in dezelfde richting, verder van de markt. Hmm. Ik wil niet verder weg, dus wurm ik mijn fiets weer tussen de motoren uit en fiets ik juist dichter naar de markt. Ik probeer het bij de hal zelf. Op het bord staat dat er motoren én gewone fietsen geparkeerd kunnen worden. Mooi. Maar ook hier krijg ik nul op het rekest. De opzichter gebaart vaag naar ‘iets verderop’. Hmm, dat kon wel eens moeilijk worden. Iets verderop, bij de volgende parkeerplek, wordt weer gewuifd en zo gaat dat nog een aantal keren door. Ik probeer mijn gelijkmoedigheid te behouden en rijdt in steeds grotere cirkels rondjes om de markthal. Zonder resultaat.
Misschien is lunchtijd niet het meest gunstige moment om een parkeerplek te bemachtigen. Overal staat het stikvol motoren. Buiten de officiële plekken is ruimte op de stoep, maar alleen als je bij het belendende zaakje een boodschap doet. Bij de achtste opzichter die liever ruimte houdt voor de dubbele inkomsten genererende motoren, besluit ik om mijn geluk te beproeven aan de andere kant van het oude centrum, een kleine kilometer verderop. En ja, daar is dus ruimte zat en mijn fiets is welkom, zij het tegen een exorbitante vraagprijs. Maar net als ik af wil druipen en mijn missie eraan wil geven, valt mijn oog op het officiële bordje. Het zegt wit op blauw dat het parkeren van een fiets tweeduizend dong kost en dus laat ik het assistentje weten dat hij hoog in de boom kan blijven zitten met zijn ‘five thousand!’ Ik parkeer mijn fiets en betaal de echte opzichter tweeduizend dong. Zonder slag of stoot overhandigt hij mij in ruil een ticket.
Na een lunch van gefrituurde visballetjes met verse koriander, vissausdip, sla en dunne ronde noodles, ga ik op jacht naar mijn thermoskan. In de straatjes rond de markthal vind ik slechts drie van het gewenste type. Eén glanzende rode met het geijkte weelderige boeket, één met een woest kijkende Chinese heerser én één in een heel curieuze uitvoering: een beheerst Mondriaanmotief in de on-Mondriaanse tinten beige, rood en donkergroen, tussen Mondriaans geplaatste zwarte lijnen. Voor slechts 70.000 dong (€ 3,30) is deze van mij. Missie toch nog geslaagd.
‘It giet oan’, hoor ik Henk Kroes achter mijn rug zeggen. Ik ben het registratieformulier dat de Vietnamese employee mij zojuist overhandigde op de ‘Royal Dutch Embassy’ aan het invullen. Verward kijk ik om en zie ik het televisiescherm dat de clichébeelden over Nederland aan het uitzenden is. Mijn bezwete rug is net aan het opdrogen in deze gekoelde luxe kantoortoren, dus de woorden van Henk Kroes komen lichtelijk absurd over.
Nu ik mijn eigen plekje heb in Hanoi is het tijd om mijn verblijf hier te laten registreren. Vanaf een muur achter de balie kijken Willem Alexander en Maxima toe hoe de employee mij vertelt dat we momenteel ambassadeurloos zijn. De vorige is al vertrokken en de nieuwe arriveert pas in januari. Wat onze Koningin daar van vindt, weet ik niet. Haar portret hangt vast wel ergens, maar niet in het zicht van de bezoeker. Alsof de troonopvolging al heeft plaatsgevonden.
Mijn nieuwe onderkomen is een ruime kamer in een mooi, degelijk en schoon gebouw. Het gebouw ligt aan een steeg, zo’n honderd meter van de doorgaande weg. De ronk- en toetersymfonie is hier wel te horen, maar verdunt tot een aangename herinnering aan de dynamiek van de stad in de verte. De steeg is woongebied, een andere wereld. Een oase van zacht verglijdende tijd, waarin de geluiden, geuren en kleuren van het Vietnamese dagelijks leven de rust versterken. Het gerinkel van servies, het neerzetten van een kopje op een tafelblad, een raam dat opengaat, de kleren die buiten worden gehangen om te luchten, een teil die gevuld wordt bij het kraantje in de bocht in de steeg, het zachte gepruttel van een motorfiets die langzaam voorbij rijdt, pratende buren, een huilende peuter, het geslof van een voorbijganger op plastic slippers, de zachte zang van een vrouw die ’s ochtends vroeg voorbijkomt en haar kleefrijst in bananenblad aanprijst, een musachtig vogeltje dat fluit in de klimstruik tegenover mijn balkon.
Dat balkon mist nog iets. Er staat een grote ficusachtige plant in de verste hoek en op de stenen balustrade in de ander hoek staan in drie aardewerken potjes een cactus, een vetplantje en een bonsaiversie van de ficusachtige. Maar om er mijn favoriete plekje van te maken moet ik er kunnen zitten, om te lezen of gewoon te luisteren en mijmeren. Bij gebrek aan een traptrede moet er dus een krukje of stoeltje komen.
Na afscheid te hebben genomen van het kroonprinselijke paar, dat nu zicht heeft op veel water, molens en kaas op het tv-scherm, verlaat ik de ambassade en ga op pad om een bamboe krukje te zoeken. Het is een eind fietsen naar de bamboestraat. Een heerlijk tochtje.
Bamboestraat ligt onder de bomen aan een van de vele meren in de stad. Het is een aaneenschakeling van kleine winkeltjes die alle ongeveer hetzelfde verkopen, zoals in de schoenenstraat alle winkeltjes schoenen, in de wierookstraat alle winkeltjes wierook, in de gereedschapstraat alle winkeltjes gereedschap en in de snoepstraat alle winkeltjes snoep verkopen.
Met de fiets aan de hand wandel ik langs de winkeltjes en zie dat ze overal hetzelfde bamboe krukje hebben staan. Waar moet ik ‘m nu kopen? Op basis waarvan kies ik een winkeltje uit om de onderhandelingen te starten? Besluiteloos laat ik mijn blik over het zich repeterende assortiment glijden. Een oude vrouw met een gerimpeld gezicht en haar grijze lange haar in een slordige knot vangt mijn blik. Zij zit midden in haar winkeltje met bamboe spulletjes, opgestapeld tegen aquagroene muren. Dit lijkt mijn winkeltje te zijn.
Ik wijs op een krukje en vraag haar naar de prijs. De prijs die ze noemt, is niet hoog, maar onderhandelen is meestal een must, dus doe ik een tegenbod. Ze is echter duidelijk niet van plan om er iets af te doen. Na een tweede tegenbod van mij, wijst ze daarom maar op een stoeltje dat goedkoper is. Ze gebaart dat ik het stoeltje moet uitproberen. Hmm. Zit goed. Eigenlijk beter dan een krukje. Deze moet het worden. Het is een ministoeltje, maar voor een balkonstoeltje voldoet het prima. Bovendien moet het stoeltje mee op de fiets, dus dat het een erg klein stoeltje is, komt goed uit. Ik wijs op mijn pakjesdrager die niet over snelbinders beschikt en vertrouw erop dat zij een oplossing heeft. In Vietnam worden complete inboedels en veestapels per fiets vervoerd, dus het bevestigen van dit ministoeltje achterop mijn fiets zal geen uitdaging voor haar zijn. En inderdaad. Ze hoeft niet te zoeken naar een bol raffiatouw en een schaar en in een mum van tijd is mijn fiets-met-stoel rijklaar. Ik bedank haar en voeg me op de fiets-met-stoel weer in de motorenstroom.
’s Avonds zit ik in het donker, in mijn nieuwe stoeltje, op mijn eigen balkonnetje, in mijn steeg in Hanoi en mijmer en luister. Flarden van gesprekken waaien door de steeg. De overburen kaarten. De buurman daarboven rookt een sigaret, zittend in het raamkozijn. Een tv staat aan en ik hoor de tune van onze Lotto Weekend Miljonairs voorbij komen! Ik zoek de zender op mijn televisie en zap langs kanalen met Vietnamees nieuws, Vietnamese soaps, Koreaanse historische soaps, Chinees economisch nieuws, Australisch nieuws, BBC world news, National Geographic, Discovery Channel en Japanse humor en uiteindelijk vind ik de Vietnamese versie van onze kennisquiz. Zelfs Ajax – Sparta vind ik, met Australisch commentaar. Ik vraag me af of ze de woorden ‘it giet oan’ ook zouden laten horen, mocht de winter in Nederland streng genoeg worden om ze uit te spreken. Ik vermoed van niet. Maar wie weet organiseert de nieuwe ambassadeur in dat geval een koek-en-zopie-dag met een straalverbinding met Friesland. Zou W. A. van Buren dan ook van de partij zijn?
Je kent het wel. Een echte Hollandse regenachtige zondagmiddag. Je bent van plan om te gaan fietsen of wandelen. Of iets anders buiten de deur. Maar ach, noodzakelijk is dat niet. Buiten is het grijs. Het miezert. Binnen is het lekker warm. De beslissing is snel genomen. Morgen is er weer een dag.
Hanoi, zondag 2 november 2008. Half een ’s middags. Mijn eerste dag in mijn eigen kamer, na mijn eerste nacht. Ik heb goed geslapen en ben niet eens hongerig wakker geworden na het karige maal van gisteravond. Een gebrek aan baar geld maakte boodschappen doen of buiten de deur eten onmogelijk. Ik behielp me met een stukje emmenthaler en yoghurt met appel. Een pot Nutella was ook overgekomen bij de verhuizing, maar er was geen brood om het op te smeren.
Ik moet dringend pinnen. Dat moest ik gister ook al. Maar het regende zo hard. Eergister wilde ik al pinnen. Maar het regende zo hard. Nu ben ik helemaal startklaar. Maar het regent zo hard. Het regent al drie dagen hard. Ik heb echter trek in pho* of bun cha**, beweging en avontuur. Ik pak mijn rugzak in en bedek hem met de regenhoes. Mijn fototoestel laat ik maar thuis. Het regent te hard. Ik rol mijn broekspijpen op en trek mijn sandalen aan. Regenponcho over alles heen en gaan.
Het hotel lijkt uitgestorven. Het meisje van de receptie leidt me door de keuken naar de steeg aan de achterkant. Daar staat het water nog niet kuithoog, zoals in de steeg aan de voorkant. Ze kijkt niet bezorgd, dus ik ga er vanuit dat ik niet gek ben om met dit weer de straat op te gaan.
Alles in mijn lijf stroomt en tintelt. Want ik loop in Hanoi. Ik. Een nieuwbakken inwoner. Ik loop in Hanoi in de stromende regen. Die al drie dagen aanhoudt. Het is de zwaarste regenval sinds 2001, hoorde ik eergister. Gister was het al de zwaarste regenval sinds twintig jaar en vandaag blijkt het niet zo veel en hard te hebben geregend sinds 1984. Het is dus niet alleen voor mij een zeldzame weersgesteldheid. Een enkele motor passeert en het is verdacht stil. Geen getoeter. Een unicum voor Hanoi. Ik loop de straat uit richting het mausoleum en steek zigzaggend door de geometrisch gerangschikte grasveldjes het enorme plein over in de richting van het centrum. Geen mens te zien. Ben ik alleen op de wereld? Maar nee, de stoïcijnse wachters van Ho Chi Minh vervullen als altijd hun plicht. Ik hoop dat ze droog staan.
Hoever zal ik komen? De televisie laat beelden zien van straten waar het water op heuphoogte doorheen stroomt. Drijvende auto’s. Visnetten op straat. Maar ook motorrijders die stug doorrijden en mensen die in bootjes door de straten varen.
Vooralsnog regent het alleen heel hard. Ik hoef niet te waden. Ik woon in het verkeerde stadsdeel, blijkt. Weliswaar blijven de mensen zoveel mogelijk binnen, maar wie moet, komt goed vooruit. Fijn. Maar waar is de actie? Gebeurt het in Hanoi, ben ik er niet bij! Ik geef toe dat ik dat even denk. Deze gedachte maakt echter al snel plaats voor zorg over de electriciteitskabels die in dikke bundels boven de stoep hangen. Onbeschermd. In de stromende regen. Ook de enorme bomen met hun takken die zwaar van water verzadigd over de stoep en de weg hangen, dringen zich aan me op. De kabels probeer ik zoveel mogelijk te mijden, maar de bomen zijn alomtegenwoordig. Dit is immers Hanoi, bomenstad nummer één.
Dat mijn zorg niet geheel ongegrond is, zie ik ongeveer een kilometer verderop richting centrum. In de stromende regen is een ploeg arbeiders bezig een enorme boom in dikke stukken te zagen. Aan de overkant van de straat staat een huis waar maar weinig meer van over is. Het dak is verpletterd en de muren zijn half ingestort. In de lucht bungelen losse einden van gebroken electriciteitskabels. Welk drama heeft zich hier afgespeeld? Zijn er slachtoffers gevallen? Mijn euforische gevoel is in één klap weg. Dit is geen leuk avontuur. Dit is voor veel mensen een ramp. Ik woon niet in het verkeerde deel van Hanoi, maar in het goede deel. Waar de steeg weliswaar blank staat, maar waar de electriciteit geen één keer is uitgevallen. Waar de meubels niet in de kamer drijven. Waar mensen niet meegesleurd worden door een woeste stroom. Waar mensen niet in een gestrand busje de nacht hebben moeten doorbrengen en daarbij zijn gestikt.
Het regent nog steeds. Lopend word ik het minst nat, maar ik wil niet verder lopen. De stoep begint me angst aan te jagen. Een xé om*** chauffeur die landerig op klanten wacht, voelt mijn omgeslagen stemming aan en steekt zijn reservehelm naar me uit. We komen een prijs overeen en ik stap achterop. Op naar het centrum. Over de weg. In beweging. Weg van de kabels.
Een paar uur later ben ik weer thuis. Met geld, boodschappen en een gevulde maag. Ik kan een paar dagen vooruit, indien nodig. Maar in de steeg is het water al weer iets gezakt en in de komende dagen zal het overal weer beter worden
* pho bo = soep met platte mie en rundvlees
** bun cha = soep met ronde mie en gegrild gehakt
*** xé om = motortaxi
Er zijn 18 slachtoffers gevallen in Hanoi alleen al. Verdrinking, electrocutie, omgevallen bomen en verstikking zijn volgens diverse media de belangrijkste oorzaken. Er wordt nog steeds hard gewerkt om de gevolgen van de zware regenval te bestrijden: pompen, aanvoerlijnen van voedsel vrijmaken, wegen repareren, enzovoort.
Foto’s van de overstroming in Hanoi te zien op:
http://english.vietnamnet.vn/photogal/2008/11/811399/
























Wat jullie schreven